Op 1 mei 1916 noteerde de West-Vlaamse schrijver Stijn Streuvels in zijn oorlogsdagboek: "Het zomeruur heeft iedereen in de war gebracht. (…) Al de marktgangers komen te laat aan de tram – niemand heeft eraan gedacht dat als men het uurwerk een uur doorsteekt, de tram een uur vroeger aankomt en wegrijdt. (…) 't Beste was nog van een heer die er zich in troostte met te zeggen: dat de oorlog nu toch een uur vroeger zou gedaan zijn!"
Waar kwam deze tijdsverwarring tijdens de Eerste Wereldoorlog vandaan? Sinds de late 19de eeuw leefden de Belgen niet meer op het ritme van de natuur, maar op dat van een internationaal afgesproken uurregeling. In 1892 werden de klokken overal gelijk gedraaid. De wereld werd in tijdzones onderverdeeld. België lag aanvankelijk in die van Londen (GMT). In Duitsland moest je daar een uur bijtellen (GMT+1).

Toen het Duitse leger in 1914 bijna heel België veroverde, voerden ze meteen het ‘Duitse uur’ in. Op 30 april 1916 maakten ze de verwarring compleet door ook nog eens voor het eerst het zomeruur op te leggen. Alle klokken moesten nóg een uur vooruit. In de onbezette Westhoek was het toen plots twee uur vroeger dan aan de overkant van de IJzer.
Kaarsen besparen
De Amerikaan Benjamin Franklin zou in de 18de eeuw als eerste het idee hebben geopperd om in de zomer vroeger op te staan en eerder naar bed te gaan om kaarsen te besparen. De Duitsers waren tijdens de oorlog de eersten om het echt te doen, en ook hen ging het om energiebesparing. Na de oorlog werden de Belgische klokken onder gejuich weer een uur teruggedraaid. Na de Tweede Wereldoorlog schafte men de zomertijd af en koos men het hele jaar voor GMT+1. De oorlogen waren wel gedaan, maar de tijdsverwarring nog niet de wereld uit.

De huidige regeling voor de zomertijd dateert uit 1977 – niet toevallig een periode van economische crisis waarin energiebesparing opnieuw belangrijk was.
Dit verhaal is gemaakt door Geheugen Collectief voor FAAM - virtueel museum.











